Jaren geleden ontving ik geheel onverwacht een brief van de politie. Iemand, wiens naam niet werd genoemd, beschuldigde mij van belediging en laster. Als verdachte werd ik uitgenodigd voor een verhoor. Deze brief bezorgde me een grote schok en een stressvolle periode brak aan. Lang wist ik niet waarover het ging en wie de persoon was achter de brief, maar kreeg al gauw een vermoeden. Pas tijdens het verhoor werd me duidelijk wie de persoon in kwestie was die zich door mij beledigd voelde. Na dit verhoor begon ik anoniem gebeld te worden. Drie à vier keer per dag gedurende een week of drie. Dit was een vreselijk intimiderende ervaring die me veel stress bezorgde. Mij werd geadviseerd in geen geval de telefoon op te nemen, omdat ik afgeluisterd zou kunnen worden.
In deze periode was er ook een rode zwerfkater die ik eten gaf in de berging op de deurmat, met de deur open, zodat hij altijd weg kon als hij dat wilde. Het dier bleef altijd op een veilige afstand van mij en ik kon hem niet dichter benaderen dan tot een meter of vier. Op een keer, niet lang na de dag van de brief, had hij veel moed getoond en was hij tot vooraan in de keuken gekomen die aansloot op de berging. Daar zat hij dan, naar mij knipogend op de keukenmat. Die nacht droomde ik over de rode kater. En die droom vertelde me de volgende dag hoe deze kater zijn enorme angst voor mensen zover had weten te overwinnen dat hij zelfs tot in de keuken was gekomen.
Toen ik hierover nadacht, kwam het inzicht dat mijn angst voor het verhoor en de hele kwestie voortkwam uit oude angst van het kind dat ik eens was. Ik werd nu geconfronteerd met mensen onder wie ik als kind ernstig heb geleden, mensen tegen wie ik me toen niet kon verzetten en van wie ik me in mijn volwassen leven doorgaans voor afgrens. Voor mij waren volwassenen destijds de powerplayers: mensen die niet of niet volledig aan de kant van het kind staan, het kind niet als gelijkwaardig zien en zijn wil ondergeschikt maken aan die van de volwassene. En nog zoveel meer om op te noemen.
Maar dankzij de moed van de rode kater samen met de inzichten uit mijn droom, zag ik het verhoor door de politie met zelfvertrouwen tegemoet en bleef ik verder rustig. Tijdens het verhoor signaleerde ik dat de agent die me ondervroeg onzeker oogde en verward: in plaats van een dader trof hij een vriendelijk persoon. Voor mij was het duidelijk dat mijn persoonlijkheid kennelijk niet overeenkwam met het negatieve beeld dat de aangever had geschetst. Om deze onterechte beschuldiging recht te zetten, bereidde ik me grondig voor op de naderende hoorzitting en had ik een goede advocaat in de arm genomen.
Twee jaar later werd ik opgeroepen voor de hoorzitting bij de rechtbank. Ik had vanaf het begin een bekwame advocaat, waar ik me dankbaar voor voel. Ik had me goed voorbereid op deze hoorzitting en er zelfs naar uitgekeken, omdat ik nu eindelijk de stem kon laten horen van het kind dat ik destijds vertegenwoordigde. Ik dacht toen dat ik eindelijk in de gelegenheid zou komen om me uit te spreken tegenover de officier van justitie, de aangever zelf, mensen van de jeugdzorg en eventuele anderen die ik niet kende.
Hoewel de aangever jarenlang elke communicatie met mij weigerde en mijn brieven – geschreven vol affectie voor het kind – onbeantwoord liet, werden deze nu in de rechtbank als wapen tegen mij gebruikt. De aangever probeerde met deze emotionele brieven de slachtofferrol op te eisen, terwijl dit privécorrespondentie betrof die nooit met derden of op sociale media was gedeeld.
Marie-France Hirigoyen schrijft in haar boek Stalking the soul dat het weigeren van directe communicatie en een dialoog aangaan, een manier is om, zonder dit direct in woorden uit te drukken, te zeggen dat de andere persoon: “… does not interest the agressor or that she doesn’t even exist.” Dit is wat ik ervaren heb met deze persoon en is een voorbeeld van ‘abusive’gedrag. Hirigoyen schrijft ook dat: “…Violence, even when it is non-verbal, hidden, and smothered, can be transmitted by what is unspoken or implied, and will result in considerable anguish.” Als ik nu terugdenk aan die woorden, herinner ik me hoe machteloos, verdrietig, opstandig, wanhopig en woedend ik me destijds voelde doordat jarenlange zwijgen van de aangever. En nu moest ik nota bene voor de rechter verschijnen.
Toen de dag van de hoorzitting aanbrak, ging ik goed voorbereid op pad; mijn advocaat, die van ver moest komen, was dat ook. Eenmaal bij de rechtbank en na enig wachten, kreeg ik te horen dat de zaak was ingetrokken wegens gebrek aan bewijs en dat ik weer naar huis kon. Maar eerst moest ik mijn advocaat op de hoogte brengen, die al halverwege was. Enerzijds voelde ik me opgelucht dat het voorbij was, maar anderzijds voelde ik me teleurgesteld en verdrietig. Al mijn inspanningen om de stem van het kind te laten horen, waren tevergeefs geweest en zijn lijden zou continueren.
In mijn verweer, dat ik voor de zitting had voorbereid, schreef ik:
‘In mijn verweer richt ik mij op de kern van het probleem: de beschuldiging van belediging en laster vloeit rechtstreeks voort uit de onderdrukte kindertijd van de aangever. De aangever heeft zich afgesloten voor het gevoelige kind dat hij zelf eens was. En het is deze afsluiting die de empathie blokkeert die nodig is om met het kind mee te voelen, het kind te zien, te horen, serieus te nemen, zijn behoeften te vervullen en het te beschermen. Mijn verweer is dat ik reageer vanuit deze dynamiek. Het is mijn ervaring dat woorden die de stem van het kind vertegenwoordigen bij veel ouders meestal angst en afweer oproepen. In plaats van zelfreflectie, wordt dan gekozen voor de aanval: de boodschapper wordt de zondebok. De huidige aanklacht zie ik dan ook als een poging om niet alleen mijn stem, maar ook en bovenal de stem van het kind het zwijgen op te leggen. Ik ben hier om dat zwijgen te doorbreken.’
Voor de spelling- en grammaticacontrole van de tekst heb ik gebruik gemaakt van AI.
Tags:
